
Terwijl ze aan de keukentafel zaten, legde zijn schoonmoeder uit waarom ze zo lang was weggebleven. Vervolgens overhandigde ze hem de envelop die Mary vóór de bevalling had geschreven. Ze vertelde over Mary’s jeugd, over het verlies van haar vader en over de misverstanden rondom het verdriet die tijdens haar kinderjaren waren ontstaan en haar jarenlang met diepe angsten hadden achtergelaten. In de handgeschreven brief had Mary nadrukkelijk geschreven dat haar man zichzelf niets mocht verwijten over de afloop van de bevalling. Ook vroeg ze hem ervoor te zorgen dat hun tweeling zou opgroeien met het besef dat hun moeder hen met heel haar hart had gewild.
De brief maakte duidelijk hoeveel vertrouwen Mary in haar man had gehad en benadrukte dat haar beslissing tijdens de bevalling was genomen in het volste vertrouwen op hem. Nadat hij de brief had gelezen, sprak de vader zijn schoonmoeder aan op haar afwezigheid gedurende de afgelopen drie maanden. Hij maakte haar duidelijk hoe belangrijk haar aanwezigheid was voor de pasgeboren tweeling. Ze gaf toe dat ze zich had teruggetrokken en vroeg of ze een van de baby’s even in de kinderkamer mocht vasthouden.
Vanaf dat moment kwam zijn schoonmoeder elke dag langs om te helpen met de verzorging. Ze spoelde babyflesjes om, leerde de voedertijden kennen en hielp bij het slaapritme van de kleintjes. Tijdens haar bezoeken bracht ze ook oude fotoalbums mee met beelden uit Mary’s jeugd. Op sommige foto’s zat Mary op de schouders van haar vader, terwijl ze op andere foto’s een feesthoedje droeg tijdens een verjaardag.

Na deze verhelderende gesprekken haalde de vader Mary’s trui uit de ziekenhuistas en legde die samen met het fotoalbum op een plank naast de babybedjes. Hij ontwikkelde een vaste routine waarin hij met de tweeling over hun moeder sprak, terwijl hij de dagelijkse voedingen en de nachtelijke verzorging op zich nam. Daarbij kreeg hij steeds meer praktische steun van de grootmoeder, die hem met haar regelmatige bezoeken hielp om de zorg voor de meisjes vol te houden.