De oude vrouw was onder de brandende zon bezig met het verzamelen van brandhout in het bos toen ze bijna geen adem meer kon halen. Terwijl ze over het stoffige pad terug naar huis liep, zag ze midden op de weg een slang bewegingloos liggen. Normaal gesproken was ze doodsbang voor slangen, maar dit dier zag er anders uit: uitgedroogd door de hitte, met open bek, alsof het de dood al had aanvaard. De vrouw onderdrukte haar angst en goot aarzelend het laatste beetje water dat ze bij zich had voor de slang neer. Toen het dier plotseling tot leven kwam en zich oprichtte, raakte ze in paniek, maar in plaats van haar aan te vallen, verdween de slang rustig tussen de struiken.

De volgende ochtend, toen de oude vrouw haar deur opende, werd ze geconfronteerd met de grootste schok van haar leven. Vanaf haar drempel tot aan de rand van de tuin lag alles vol slangen. Tientallen dieren lagen opgerold en stil te wachten. Ze verstijfde van angst en dacht dat haar goede daad van de vorige dag was beantwoord met wraak; dat de slangen haar hadden omsingeld. Met bonzend hart deinsde ze achteruit, maar merkte al snel dat de slangen geen enkele agressie vertoonden.

Toen ze beter keek, zag ze dat deze slangen net zo uitgeput en dorstig waren als degene die ze de dag ervoor had geholpen. De hevige droogte in de regio had alle waterbronnen opgedroogd. Het leek erop dat de slang die ze had gered, op een of andere manier de anderen had gewaarschuwd. De vrouw besefte dat de “dodelijke menigte” voor haar deur geen vijanden waren, maar wanhopige levende wezens die alleen probeerden te overleven.
Met een mengeling van angst en mededogen vulde ze al haar emmers met water en bracht ze die naar de tuin. Terwijl de slangen zich naar het water begaven, keek ze toe naar dit angstaanjagende maar bijna wonderlijke tafereel. Vanaf dat moment ontstond er een legendarische band in het dorp: haar tuin werd een toevluchtsoord voor slangen, en in ruil daarvoor durfde geen enkel roofdier of dief nog in de buurt van haar huis te komen.

Toen de regen uiteindelijk kwam en de droogte eindigde, verdwenen de slangen net zo stil als ze gekomen waren terug in de natuur. De oude vrouw begreep dat die angstaanjagende ochtend eigenlijk een vorm van dankbaarheid van de natuur was geweest. Wat begon met één druppel water, bleef achter als een herinnering die liet zien dat zelfs de meest gevreesde wezens vriendelijkheid niet vergeten — een verhaal waar angst en een wonder in elkaar overvloeiden.